Schemering, grijs en de film
Het was woensdagavond denk ik en ik zat op het terras met A. en D. Mooi weer, rosé en gepraat zoals dat alleen kan met drie vrouwen. Gegiechel. Gelach. En serieuze zaken. Het was heerlijk rustig en ik werd er blij van. A. vroeg toen ineens waar ik die avond sliep. Ik haalde m’n schouders op. ‘Gewoon. Bij JeWeetWel. Of ik ga naar huis, dat kan ook nog.’ Want zo laat was het nog niet. En ik smste JWW. Of er nog plek was voor me. En een half uurtje later nam ik afscheid van A. en D. en liep naar JWW die me al stond op te wachten bij de achterdeur.
Het is, zachtstgezegd, grijs tussen JWW en mij. Als in: onbekend. Raar. Awkward. Maar ook erg gezellig. En we kunnen lachen samen. En toen kreeg ik een paniekaanval bij JWW en huilde ik en lag ik de hele nacht wakker en hadden we vreemde gesprekken over ons, terwijl er geen ons was en vond JWW het bijzonder dat ik en de K anderhalf jaar een relatie hadden en dat zijn laatste relatie van vijf jaar terug stamde en toen zeiden we meer en kusten we en kroop JWW tegen me aan in bed en ik kroop mijn schulp in. En toen bleken de nachos van die avond fout gevallen te zijn en zat ik stilletjes op de wc in mijn schulp en ik was zeldzaam blij toen het licht was en we op konden staan.
We gingen samen met de trein, ik moest werken en hij had een afspraak. De zon scheen iets te fel, ik had wallen en een knoop in de maag en we kwamen op het station. Geen treinverkeer mogelijk. We scoorden toch een trein richting waar we moesten zijn, werden halverwege eruitgegooid, haalden een gratis kop koffie en ik voelde me voorzichtig weer mens worden. JWW mopperde dat het een lieve lust was en het ging langzaam langs me heen. Eenmaal toch aangekomen waar me moesten zijn, namen we afscheid en ik begon te werken. Checkte een uur of drie later m’n mail. En JWW mailde. Dat z’n afspraak niet doorging en dat-ie blij was dat er toch koffie was geweest.
Ik maakte een flauw antwoord. En heb de beste zin sinds tijden gemaild. Hoe hij mij zag. Want ik hou niet van grijs. Of schemeringen. Ik heb daar geen geduld voor. Tenzij ik weet dat de uitkomst goed is, dan wil ik wel wachten, maar die kans achtte ik klein (maar dan: wat is een goede uitkomst?!). En binnen no time antwoord. Dat hij dacht dat ik dacht dat hij dacht dat ik dacht. Zo komen we ergens ja. Ergo. Ik ben mooi, lief, aardig en leuk. Had-ie niet gedacht. Dus nou weet-ie het niet meer.
Inmiddels weet-ie het wel. En ik weet het ook. Ik kan niet scharrelen. Ik vertelde die belachelijkheid van de situatie tegen A. en tegen S. En we lachten er om. En ik hoorde dat ik me altijd overal volledig instort en dat het dus goed is dat ik me nog niet gestort had. En nu overheerst de opluchting. En de rust. Klaar nu. Ik heb verdorie een prachtige casa hier en ik ben alleen maar weg. Zonde! Dus ik ben nu lekker veel thuis, omdat het een prima plek is. Ik ga tot rust komen.
En JWW? We mailen elke dag. Zien elkaar zondag voor de film en hebben daar allebei veel zin in. Ik spreek hem vaker dan mijn beste vrienden. Maar dat betekent niets. Echt niet. Ik besef de idioterie zelf ook hoor. Het waait wel over.